Inleiding tot Ezechiel 18
Ezechiel 18 is een van de meest belangrijke hoofdstukken in het boek Ezechiel. Het behandelt fundamentele vragen over Gods gerechtigheid, persoonlijke verantwoordelijkheid en de mogelijkheid tot bekering. De profeet Ezechiel spreekt tot het volk van Israël tijdens hun ballingschap in Babylon en corrigeert een verkeerde opvatting over collectieve schuld.
Het spreekwoord over zure druiven (vers 1-4)
Het hoofdstuk begint met een spreekwoord dat populair was onder de Israëlieten: "De vaders hebben zure druiven gegeten, en de tanden van de kinderen zijn stomp geworden." Dit gezegde drukte de overtuiging uit dat kinderen gestraft werden voor de zonden van hun ouders. Het volk in ballingschap voelde zich slachtoffer van de zonden van vorige generaties.
God verklaart echter nadrukkelijk dat dit spreekwoord niet meer gebruikt mag worden in Israël. In vers 4 stelt Hij het cruciale principe: "Zie, alle zielen zijn van Mij; zowel de ziel van de vader als de ziel van de zoon, zij zijn van Mij. De ziel die zondigt, die zal sterven."
Gods principe van gerechtigheid (vers 5-20)
Ezechiel presenteert drie scenario's om Gods gerechtigheid te illustreren:
De rechtvaardige man (vers 5-9)
Een man die rechtvaardig leeft - hij eet niet op de bergen (afgoderij), pleegt geen overspel, verdrukt niemand, geeft het pand terug, berooft niemand, geeft brood aan de hongerige en kleedt de naakte. Deze man zal zeker leven.