Inleiding tot Deuteronomium 7
Deuteronomium hoofdstuk 7 bevat een van de meest uitdagende passages in de Bijbel. Mozes spreekt tot het volk Israël vlak voor zij het beloofde land binnentrekken en geeft hen cruciale instructies over hun relatie tot de volkeren die daar wonen. Dit hoofdstuk behandelt thema's als Gods verkiezing, heiligheid, en de roeping tot trouw aan het verbond.
Gods opdracht voor het beloofde land (vers 1-6)
Mozes begint met een lijst van zeven volkeren die in Kanaän wonen: de Hettieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Ferezieten, Hevieten en Jebusieten. God beveelt Israël deze volkeren volledig te verslaan en geen verbonden met hen te sluiten.
Deze opdracht tot herem (totale vernietiging) is voor moderne lezers moeilijk te begrijpen. Belangrijk is te beseffen dat dit een specifieke historische opdracht was in een unieke heilshistorische context. God gebruikt Israël als instrument van zijn oordeel over volkeren die zich eeuwenlang aan grove afgodendienst en zedelijke verdorvenheid hadden overgegeven.
Het verbod op gemengde huwelijken (vers 3-4) heeft een diepere reden dan etnische zuiverheid. Het gaat om geestelijke trouw: "Want zij zullen uw zonen van mij doen afwijken, zodat zij andere goden dienen."