Tekst van Deuteronomium 29:16
'Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetrokken zijn door het midden der heidenen, waar gij doorgetrokken zijt.' (Herziene Statenvertaling)
Betekenis van de Woorden
In dit vers gebruikt Mozes het Hebreeuwse werkwoord 'yashab' (ישב) voor 'gewoond hebben', wat duidt op een langdurig verblijf. Het woord 'goyim' (גוים) wordt gebruikt voor de heidenvolken, wat letterlijk 'naties' betekent. Het werkwoord 'abar' (עבר) voor 'doorgetrokken' suggereert een doelbewuste reis of overgang.
Context in Deuteronomium 29
Dit vers staat in het hart van Mozes' toespraak over het verbond. Hij herinnert het volk aan hun gedeelde geschiedenis als voorbereiding op de verbondsvernieuwing. De woorden 'jullie weten' benadrukken dat dit geen abstracte theologie is, maar levende geschiedenis die het volk heeft meegemaakt.
Theologische Betekenis
Mozes benadrukt drie belangrijke aspecten van Israëls geschiedenis:
1. Hun slavernij in Egypte - dit vormde hun identiteit als bevrijde mensen
2. Hun reis door vreemde volkeren - dit toonde Gods bescherming tijdens hun kwetsbaarheid
3. Hun gemeenschappelijke ervaring - dit creëerde eenheid voor het verbond
Deze herinneringen zijn niet nostalgisch, maar dienen een duidelijk doel: het volk voorbereiden op hun toekomstige verantwoordelijkheden in het beloofde land.