Inleiding tot Daniel 10
Daniel hoofdstuk 10 vormt de opening van de laatste grote visioenensectie in het boek Daniël (hoofdstuk 10-12). Dit hoofdstuk onthult op dramatische wijze de geestelijke realiteit achter wereldse gebeurtenissen en toont ons hoe gebed doorwerkt in de hemelse sferen.
Historische Setting (vers 1-3)
Het visioen vindt plaats in het derde jaar van koning Cyrus van Perzië (ongeveer 537-536 v.Chr.). Hoewel Cyrus had toegestaan dat de Joden konden terugkeren naar Jeruzalem, was Daniël blijkbaar in Babylon gebleven. De profeet, nu waarschijnlijk in de tachtig, ondergaat een intense periode van rouw en vasten van drie weken. Deze rouwperiode toont Daniëls diepe bezorgdheid om zijn volk en de toekomst van Israël.
Het vasten behelst het mijden van 'lekkere spijzen', vlees en wijn - een vorm van rouw die zijn spirituele ernst onderstreept. Dit type vasten wordt vaak gehouden wanneer iemand God zoekt voor belangrijke openbaringen of antwoorden.
De Engelenverschijning (vers 4-9)
Op de vierentwintigste dag van de eerste maand (Nisan) krijgt Daniël een visioen bij de rivier Tigris. Hij ziet een man gekleed in linnen met een gordel van goud uit Ufaz. De beschrijving is indrukwekkend: zijn lichaam als chrysoliet, zijn aangezicht als bliksem, zijn ogen als fakkels, zijn armen en voeten als gepolijst koper, en zijn stem als het geluid van een menigte.