De Aanklacht van de Gibeonieten
2 Samuel 21:5 bevat de pijnlijke beschrijving van de Gibeonieten over wat koning Saul hun had aangedaan: 'Zij antwoordden de koning: De man die ons heeft weggemaakt en die erop uit was ons uit te roeien, zodat wij nergens meer in het gebied van Israël zouden leven.'
Woordstudie en Betekenis
Het Hebreeuwse werkwoord כלה (kalah) dat hier vertaald wordt als 'weggemaakt' betekent letterlijk 'verteerd' of 'voltooid in de zin van vernietigd'. Het duidt op een systematische vernietiging. Het tweede werkwoord שמד (shamad) voor 'uitroeien' is nog sterker en betekent volledig vernietigen of uitdelgen.
Deze woorden tonen de ernst van Sauls misdaad aan. Hij had niet alleen individuele Gibeonieten gedood, maar geprobeerd hen als volk volledig uit te roeien uit het beloofde land.
Historische Context
De Gibeonieten waren oorspronkelijk Hivieten die door list een verbond met Jozua hadden gesloten (Jozua 9). Ondanks hun bedrog had Israël een eed gezworen hen te beschermen. Eeuwen later brak Saul dit heilige verbond door te proberen de Gibeonieten uit te roeien, waarschijnlijk uit nationalistische motieven.
Theologische Betekenis
Dit vers illustreert belangrijke bijbelse waarheden:
- Verbondstrouw: God houdt zijn beloften, zelfs die gemaakt onder bedrog
- Collectieve verantwoordelijkheid: Sauls zonde bracht gevolgen voor heel Israël
- Goddelijke gerechtigheid: God verdedigt de onderdrukte, zelfs niet-Israëlieten