Inleiding tot 2 Korinthe 6
In 2 Korinthe hoofdstuk 6 zet Paulus zijn boodschap over verzoening voort uit het vorige hoofdstuk. Hij spreekt als Gods medewerker tot de Korinthiërs met een dringende oproep om de genade van God niet tevergeefs te ontvangen. Dit hoofdstuk bevat zowel persoonlijke verdediging van Paulus' apostolisch werk als fundamentele leerstellingen over heilig leven.
Gods Genade Niet Tevergeefs Ontvangen (6:1-2)
Paulus begint met een krachtige oproep: 'En wij, als medearbeidende, bidden u ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben' (vers 1). Het woord 'medearbeidende' (Grieks: sunergountes) benadrukt dat christenen samen met God werken in Zijn heilsplan. Dit is geen passieve relatie, maar een actieve samenwerking.
De apostel citeert Jesaja 49:8 om de urgentie te benadrukken: 'In den aangenamen tijd heb Ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb Ik u geholpen' (vers 2). Het heden is de tijd van genade en redding. Paulus waarschuwt tegen geestelijke luiheid of het uitstellen van volledige overgave aan God.
De uitdrukking 'niet tevergeefs' (Grieks: eis kenon) betekent letterlijk 'niet tot leegte'. Gods genade moet vrucht dragen in ons leven door verandering en groei in heiligheid.
Paulus' Lijden en Volharding (6:3-10)
In verzen 3-10 verdedigt Paulus zijn apostolische dienst door zijn lijden en volharding te beschrijven. Hij schrijft: 'Wij geven geen aanstoot in enig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde' (vers 3). Deze passage toont Paulus' integriteit en toewijding.