Inleiding tot 2 Koningen 24
2 Koningen 24 beschrijft een van de donkerste momenten in de geschiedenis van het volk Israël: de val van Jeruzalem en het begin van de Babylonische ballingschap. Dit hoofdstuk toont hoe Gods waarschuwingen door de profeten werkelijkheid werden, en markeert het einde van de zelfstandige Judese staat.
Jojakim's Rebellie tegen Babylon (vers 1-7)
Het hoofdstuk begint met koning Jojakim die drie jaar lang onderworpen was aan Nebukadnessar van Babylon, maar daarna rebelleerde. Deze rebellie had verwoestende gevolgen. De HERE stuurde verschillende volken - Chaldeeërs, Arameërs, Moabieten en Ammonieten - om Juda te verwoesten.
Deze gebeurtenissen waren geen toeval, maar de vervulling van Gods woord gesproken door zijn knechten de profeten. De tekst benadrukt dat dit gebeurde 'op bevel van de HERE' vanwege de zonden van Manasse, die onschuldig bloed had vergoten en Jeruzalem had gevuld met ongerechtigheid.
Het Einde van Jojakim's Regering (vers 5-6)
Jojakim stierf na elf jaar regeren, en zijn zoon Jojachin volgde hem op. De omstandigheden van Jojakims dood worden niet beschreven, maar Jeremia profeteerde dat hij geen eervol begrafenis zou krijgen (Jeremia 22:18-19). Zijn dood markeerde het einde van een periode van rebellie tegen Gods wil.