Inleiding
2 Koningen 25 vormt het dramatische slot van het gelijknamige boek en beschrijft een van de donkerste momenten in de geschiedenis van Gods volk. Dit hoofdstuk vertelt over de val van Jeruzalem, de verwoesting van de tempel van Salomo en het begin van de Babylonische ballingschap. Het markeert het einde van de Davidische dynastie en de vervulling van profetische waarschuwingen over Gods oordeel.
De Belegering van Jeruzalem (vers 1-7)
Het hoofdstuk begint in het negende regeerjaar van koning Zedekia, toen Nebukadnezar van Babylon Jeruzalem belegerde. De belegering duurde ruim anderhalf jaar en bracht grote hongersnood over de stad. Zedekia's poging tot ontsnapping mislukte - hij werd gevangen genomen bij Jericho. Het lot van Zedekia was verschrikkelijk: hij moest toezien hoe zijn zonen werden gedood, waarna hijzelf werd verblind en in ketenen naar Babylon gevoerd.
Deze gebeurtenissen vervulden de profetieën van Jeremia en Ezechiël. Gods geduld met zijn ongehoorzame volk was ten einde gekomen. Zedekia had herhaaldelijk geweigerd om naar de profeten te luisteren en had zelfs zijn eed aan Nebukadnezar gebroken.