Wat zegt 2 Koningen 23:11?
2 Koningen 23:11 beschrijft een ingrijpende daad van koning Josia: 'Hij deed de paarden weg, die de koningen van Juda ter ere van de zon hadden gesteld bij de ingang van het huis des HEREN, bij de kamer van Netan-Melech, den hofbeambte, die in de voorhoven woonde; en de wagens der zon verbrandde hij met vuur.'
De context van Josia's hervormingen
Dit vers valt midden in het verhaal van koning Josia's grootscheepse religieuze hervormingen (ongeveer 621 v.Chr.). Na de vondst van het wetboek in de tempel begon Josia systematisch alle heidense praktijken uit te roeien die zich in Juda hadden genesteld. Het wegdoen van de zonnepaarden was onderdeel van deze bredere zuiveringscampagne.
Betekenis van zonnepaarden en wagens
De paarden en wagens die 'ter ere van de zon' waren ingesteld, verwijzen naar heidense rituele objecten die verbonden waren met zonne-aanbidding. In het oude Nabije Oosten werd de zonnegod vaak afgebeeld als rijdend in een wagen getrokken door paarden. Deze praktijk was waarschijnlijk overgenomen uit Assyrische of Babylonische religies.
Het Hebreeuwse woord voor 'ter ere van' (לְ, le) duidt op toewijding of toegewijde dienst. Deze paarden waren dus specifiek geheiligd voor zonne-aanbidding, wat een directe overtreding was van het eerste gebod.