De verplaatsing van het bronzen altaar
2 Koningen 16:14 beschrijft een cruciale religieuze verandering door koning Achaz van Juda: 'Het bronzen altaar dat voor de HEER stond, haalde hij van de plaats voor het gebouw weg en zette het neer tussen het nieuwe altaar en de tempel van de HEER, aan de noordkant van zijn nieuwe altaar.'
Context van Achaz' religieuze hervormingen
Dit vers volgt op Achaz' bezoek aan Damascus, waar hij koning Tiglat-Pileser van Assyrië ontmoette. Daar zag hij een altaar dat hem zo beviel dat hij er een tekening van liet maken en naar Jeruzalem stuurde om een kopie te laten bouwen (vers 10-11).
Het bronzen altaar (Hebreeuws: mizbach hanechoshet) was het oorspronkelijke altaar dat God had bevolen te maken voor de offers in de tempel. Dit altaar stond centraal in de Israëlitische eredienst en was het symbool van Gods aanwezigheid en de juiste manier van aanbidding.
Theologische betekenis van de verplaatsing
Door het bronzen altaar te verplaatsen en te vervangen door een heidens ontwerp, toonde Achaz zijn gebrek aan respect voor Gods instructies. Het nieuwe altaar werd nu het hoofdaltaar, terwijl het door God geautoriseerde altaar werd gereduceerd tot een bijzaak.
Deze handeling representeert syncretisme - het mengen van heidense praktijken met de aanbidding van JHWH. Achaz probeerde zowel God als heidense goden te dienen, wat expliciet verboden was in de Torah.