De tekst van 2 Koningen 13:11
2 Koningen 13:11 luidt: 'Hij deed wat kwaad was in de ogen des HEREN; hij week niet af van alle zonden van Jerobeam, zoon van Nebat, waardoor hij Israël had doen zondigen; hij wandelde daarin.'
Wie is 'hij' in deze tekst?
De 'hij' in dit vers verwijst naar Joas (ook wel Joas genoemd), de koning van Israël die regeerde van ongeveer 798-782 v.Chr. Hij was de zoon van Joahaz en kleinzoon van Jehu. Joas regeerde zestien jaar over het noordelijke koninkrijk Israël vanuit Samaria.
De betekenis van 'wat kwaad was in de ogen des HEREN'
Deze uitdrukking (Hebreeuws: הרע בעיני יהוה, ha-ra be-einei YHWH) is een standaardformulering in de boeken Koningen om geestelijke ontrouw te beschrijven. Het gaat niet alleen om morele tekortkomingen, maar specifiek om afgoderij en het niet naleven van de wetten die God aan Israël had gegeven.
De zonden van Jerobeam
De 'zonden van Jerobeam, zoon van Nebat' verwijzen naar het systematische afgoderij-systeem dat Jerobeam I invoerde toen hij het noordelijke koninkrijk oprichtte (1 Koningen 12:25-33). Hij plaatste gouden kalveren in Dan en Betel en zei tegen het volk: 'Zie, hier zijn uw goden, Israël, die u uit Egypte hebben opgeleid.' Dit deed hij om te voorkomen dat zijn onderdanen naar Jeruzalem zouden gaan om te aanbidden.