Inleiding tot Romeinen 6
Romeinen 6 is een van de meest krachtige hoofdstukken in de Bijbel over de christelijke identiteit. Paulus beantwoordt hier een cruciale vraag: als God rijke genade schenkt waar de zonde toeneemt, moeten we dan blijven zondigen? Zijn resolute antwoord is: "Volstrekt niet!" Dit hoofdstuk legt de fundamenten van het christelijke leven uit door te leren over onze vereniging met Christus.
Verenigd met Christus in Dood en Opstanding (vers 1-11)
Paulus begint met de vraag of christenen moeten blijven zondigen opdat de genade zou toenemen. Hij wijst dit categorisch af. Wie gestorven is aan de zonde, kan niet langer daarin leven. De apostel gebruikt de doop als illustratie van deze geestelijke waarheid.
Bij de doop worden gelovigen symbolisch begraven met Christus. Net zoals Christus uit de dood is opgewekt, zo worden wij opgewekt tot een nieuw leven. Vers 6 is bijzonder krachtig: "Want wij weten dat ons oude ik met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde teniet zou worden, zodat wij niet meer dienstbaar zouden zijn aan de zonde."
Dit betekent niet dat christenen perfect zijn, maar dat hun fundamentele identiteit is veranderd. Ze zijn niet langer slaven van de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.