De tekst van Romeinen 3:1
Romeinen 3:1 luidt: 'Wat is dan het voordeel van de Jood, of wat is het nut van de besnijdenis?' (NBV). In het Grieks staat hier 'Τί οὖν τὸ περισσὸν τοῦ Ἰουδαίου, ἢ τίς ἡ ὠφέλεια τῆς περιτομῆς;' Paulus stelt hier twee parallelle retorische vragen die hetzelfde punt maken.
De context van de vraag
Deze vraag komt niet uit de lucht vallen. In Romeinen 2 heeft Paulus beargumenteerd dat echte Joods-zijn niet afhangt van uitwendige tekenen zoals besnijdenis, maar van een 'besnijdenis des harten' (Romeinen 2:29). Hij heeft ook gesteld dat heidenen die de wet gehoorzamen, beter af zijn dan Joden die haar overtreden. Dit roept logischerwijs de vraag op: als dat zo is, wat is dan nog het unieke voordeel van het Joodse volk?
Betekenis van belangrijke woorden
Het Griekse woord 'περισσὸν' (perisson) betekent 'overvloed' of 'voordeel' - wat hebben Joden meer dan anderen? Het woord 'ὠφέλεια' (opheleia) betekent 'nut' of 'voordeel' - welk praktisch voordeel biedt de besnijdenis? Paulus gebruikt bewust deze commerciële termen om de vraag scherp te stellen.
Theologische betekenis
Deze vraag toont Paulus' methodische aanpak. Hij anticipeert op bezwaren van zijn lezers, vooral Joodse christenen die zich zouden kunnen afvragen of hun erfenis waardeloos is geworden. Paulus bereidt de weg voor zijn antwoord in vers 2, waar hij stelt dat Joden wel degelijk grote voorrechten hebben, vooral dat 'hun de woorden van God zijn toevertrouwd'.