Het Verhaal van de Leviet en zijn Bijvrouw
Richteren 19 wordt vaak beschouwd als een van de donkerste hoofdstukken in de Bijbel. Dit verhaal toont de diepte van moreel verval in Israël tijdens de periode van de Richteren, toen 'ieder deed wat goed was in zijn eigen ogen' (Richteren 17:6).
De Reis naar Betlehem (vers 1-9)
Het hoofdstuk begint met een Leviet uit het bergland van Efraïm die een bijvrouw had uit Betlehem-Juda. Wanneer zij ontrouw wordt en naar haar vaders huis terugkeert, gaat de Leviet haar achterna om haar terug te winnen. Deze opening laat al zien hoe de religieuze leiders van Israël (de Levieten) niet langer de goddelijke normen volgden.
De uitgebreide gastvrijheid van de schoonvader (vijf dagen lang) contrasteert scherp met wat er later zal gebeuren. Dit toont het verschil tussen echte gastvrijheid en wat daarvan over was in het verdorven Israël.
De Fatale Beslissing in Gibea (vers 10-21)
De Leviet besluit om niet in Jebus (later Jeruzalem) te overnachten omdat het een 'vreemde stad' was, maar kiest voor Gibea, een stad van zijn eigen volk Benjamin. Deze ironische keuze toont hoe verkeerd zijn oordeel was - hij vertrouwde meer op zijn eigen volk dan op vreemdelingen, terwijl zijn eigen volk hem zou verraden.
Alleen een oude man, oorspronkelijk uit Efraïm, biedt hen gastvrijheid aan. Dit detail benadrukt hoe zelfs de basale waarden van gastvrijheid waren verdwenen.