Inleiding tot Psalm 59
Psalm 59 is een indringend gebed van koning David waarin hij God smeekt om bescherming tegen zijn vijanden. Deze psalm behoort tot de klaagliederen en toont ons hoe we kunnen bidden wanneer we worden bedreigd of vervolgd. Het opschrift verbindt deze psalm met de gebeurtenis uit 1 Samuël 19:11, toen koning Saul wachters naar Davids huis stuurde om hem te doden.
In de Statenvertaling is het opschrift ("Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.") vers 1. Daardoor ligt elk versnummer op deze pagina één hoger dan in Engelse bijbels, die het opschrift niet meetellen.
Gebed om Redding (verzen 2-3)
David begint zijn psalm met een dringende smeekbede: 'Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.' Het Hebreeuwse woord voor 'red' (natsal) betekent letterlijk 'uit de klauwen rukken', wat de ernst van Davids situatie onderstreept. Hij erkent dat alleen God hem kan redden uit deze levensbedreigende situatie.
Beschrijving van de Vijanden (verzen 4-5)
David beschrijft zijn vijanden als meedogenloze mensen: 'zij leggen mijner ziel lagen' (vers 4). Hij benadrukt zijn onschuld door te zeggen dat hij geen overtreding of zonde heeft begaan die hun haat rechtvaardigt. Dit toont aan dat niet alle tegenspoed in ons leven het gevolg is van eigen fout - soms lijden rechtvaardigen simpelweg omdat ze God dienen.