De tekst van Psalmen 135:16
Psalmen 135:16 luidt: "Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet." Dit vers maakt deel uit van een krachtige passage waarin de psalmist de ijdelheid van afgoden blootlegt in contrast met de levende God van Israël.
Context binnen Psalm 135
Psalm 135 is een lofpsalm die Gods grootheid verheerlijkt en tegelijkertijd de dwaasheid van afgoderij aan de kaak stelt. De psalmist heeft zojuist Gods machtige werken in de geschiedenis beschreven (verzen 8-14) en wendt zich nu tot een scherpe kritiek op afgoden (verzen 15-18). Vers 16 is onderdeel van een systematische opsomming van wat afgoden wél hebben (lichaamsdelen) maar niet kunnen doen (functioneren).
Woordstudie en betekenis
Het Hebreeuwse woord voor "mond" is "peh" (פה), dat letterlijk opening of ingang betekent. Het woord "spreken" komt van "dabar" (דבר), wat niet alleen spreken inhoudt maar ook het uitbrengen van krachtige, scheppende woorden. De psalmist benadrukt dat afgoden wel de vorm hebben van een mond, maar missen wat een mond werkelijk waardevol maakt: de mogelijkheid tot communicatie en uitdrukking.