Inleiding tot Psalm 126
Psalm 126 is een van de vijftien pelgrimsliederen (Psalmen 120-134) die het Israëlitische volk zong tijdens hun reis naar Jeruzalem voor de grote feesten. Deze prachtige psalm vertelt het verhaal van Gods wonderbaarlijke bevrijding van zijn volk uit de Babylonische ballingschap en spreekt tegelijkertijd over het geloof in Gods voortdurende zegen.
De Grote Vreugde van Bevrijding (vers 1-3)
"Toen de HEERE de gevangenen van Sion deed terugkeren"
De psalm begint met een terugblik op een wonderbaarlijke gebeurtenis: de terugkeer uit de Babylonische ballingschap rond 538 v.Chr. Het Hebreeuwse woord voor 'gevangenen' kan ook 'het lot' betekenen, wat suggereert dat God het lot van zijn volk volledig heeft gekeerd.
"Waren wij als dromers"
De bevrijding was zo ongelooflijk dat het volk dacht te dromen. Na zeventig jaar ballingschap leek vrijheid onmogelijk. Deze uitdrukking toont aan hoe Gods ingrijpen alle menselijke verwachtingen te boven ging.
"Toen werd onze mond vervuld met lachen"
De vreugde was zo overweldigend dat zij zich uitte in spontaan lachen en jubelen. Dit is geen oppervlakkige vrolijkheid, maar diepe, bevrijdende vreugde die voortkomt uit Gods genade.
Het Getuigenis aan de Volken
"Toen zeiden zij onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!" De bevrijding van Israël werd een getuigenis voor de omliggende volken. Zij erkenden dat alleen de God van Israël zoiets wonderbaarlijks kon bewerkstelligen.