Inleiding tot Mattheus 9
Mattheus hoofdstuk 9 toont ons een krachtig beeld van Jezus' dienstwerk waarin Hij zowel Zijn goddelijke macht als Zijn oneindige genade demonstreert. Dit hoofdstuk bevat verschillende wonderverhalen die samen een volledig beeld geven van wie Jezus is: de Geneesheer van lichaam en ziel, de Redder van zondaren, en de medelijdende Herder.
De genezing van de verlamde man (vers 1-8)
Het hoofdstuk opent met het verhaal van de verlamde man die door zijn vrienden naar Jezus wordt gebracht. Het opmerkelijke aan dit verhaal is dat Jezus eerst zegt: 'Heb goede moed, mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven' (vers 2). Pas daarna geneest Hij de man fysiek.
Dit toont aan dat Jezus de geestelijke nood belangrijker vindt dan de lichamelijke nood. De Schriftgeleerden beschuldigen Jezus van godslastering, omdat alleen God zonden kan vergeven. Jezus bewijst Zijn goddelijke autoriteit door de man volledig te genezen. De menigte wordt vervuld van ontzag en verheerlijkt God.
De roeping van Mattheüs de tollenaar (vers 9-13)
Jezus roept Mattheüs, een tollenaar, om Hem te volgen. Tollenaars werden door de Joden veracht omdat zij voor de Romeinse bezetter werkten en vaak corrupt waren. Dat Jezus juist zo iemand uitkiest, toont Zijn genade aan.