De tekst van Leviticus 11:7
"Ook het varken, want het heeft wel gespleten hoeven, die volkomen gedeeld zijn, maar het herkauwt niet; het is voor jullie onrein." (NBV)
Woorden en betekenis
Het Hebreeuwse woord voor varken is 'chazir' (חזיר), wat letterlijk 'terugkeerder' betekent. Dit vers maakt deel uit van Gods instructies over reine en onreine dieren. Het varken wordt specifiek genoemd omdat het slechts één van de twee vereiste kenmerken heeft voor reine dieren: gespleten hoeven, maar het herkauwt niet.
Context binnen Leviticus 11
Leviticus 11 bevat de spijswetten die God aan Mozes en Aäron gaf voor het volk Israël. Deze wetten onderscheiden tussen reine dieren (die gegeten mogen worden) en onreine dieren (die verboden zijn). Voor landdieren geldt de regel dat ze zowel gespleten hoeven als herkauwend moeten zijn.
Theologische betekenis
De spijswetten hadden meerdere doelen:
Heiligheid en onderscheiding
God riep Israël op om heilig te zijn, zoals Hij heilig is (Leviticus 11:44-45). De spijswetten maakten Israël onderscheiden van de omringende volkeren en herinnerden hen dagelijks aan hun bijzondere relatie met God.
Gehoorzaamheid
Deze wetten testten Israëls bereidheid om God te gehoorzamen, zelfs in ogenschijnlijk eenvoudige zaken als eten. Het ging om vertrouwen in Gods wijsheid, ook wanneer de redenen niet altijd duidelijk waren.