Inleiding tot Job 34
In Job hoofdstuk 34 zet Elihu zijn rede voort waarin hij Gods gerechtigheid verdedigt tegen Jobs bewering dat God hem onrechtvaardig behandelt. Dit hoofdstuk vormt het hart van Elihu's theologische argument en biedt een belangrijk perspectief op het lijden en Gods soevereiniteit.
Elihu roept op tot aandachtige luistering (verzen 1-9)
Elihu begint zijn tweede rede met een oproep aan "wijzen" en "verstandigen" om naar hem te luisteren. Hij gebruikt de metafoor dat het gehemelte woorden proeft zoals het voedsel proeft, waarmee hij benadrukt dat zijn woorden zorgvuldig overwogen moeten worden.
Elihu citeert vervolgens Jobs woorden waarin Job zijn eigen onschuld volhoudt en beweert dat God hem zijn recht onthoudt. Job had gezegd: "Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen" (vers 5). Elihu presenteert dit als bewijs dat Job zich tegen God heeft verzet.
Gods absolute gerechtigheid (verzen 10-20)
Het kernargument van Elihu komt in vers 10-12 waar hij uitroept: "Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht! Want naar het werk des mensen vergeldt Hij hem, en naar eens ieders weg doet Hij het hem vinden. Ook waarlijk, God handelt niet goddelooslijk, en de Almachtige verkeert het recht niet."
Elihu beargumenteert dat God als Schepper van hemel en aarde niemand boven zich heeft die Hem kan veroordelen. God is de ultieme autoriteit die leven geeft en wegneemt. Als God zou besluiten zijn Geest terug te trekken, zou alle vlees tegelijk vergaan (vers 14-15).