De tekst van Job 27:19
Job 27:19 luidt in de Nieuwe Bijbelvertaling: 'Nog rijk gaat hij slapen, maar dat is voor het laatst; hij doet zijn ogen open - al zijn bezit is weg.' Dit vers vormt onderdeel van Jobs verdediging van zijn onschuld en zijn beschrijving van het lot dat goddelozen wacht.
Woordbetekenis en literaire structuur
Het Hebreeuwse woord voor 'rijk' (עָשִׁיר, ashir) duidt op iemand met grote materiële welvaart. De tegenstelling tussen 'slapen gaan' en 'wakker worden' benadrukt de plotselinge ommekeer. Het Hebreeuwse werkwoord voor 'weggenomen worden' (אָסַף, asaf) kan ook betekenen 'verzameld worden' of 'sterven', wat verschillende interpretaties mogelijk maakt.
Context binnen Job 27
In dit hoofdstuk verdedigt Job zijn integriteit tegen zijn vrienden die beweren dat zijn lijden bewijs is van zijn zonde. Job beschrijft het lot van de goddeloze (vers 13-23) om aan te tonen dat hij zelf niet tot deze categorie behoort. Het plotselinge verlies van rijkdom in vers 19 illustreert hoe God uiteindelijk rechtvaardigheid brengt.
Theologische betekenis
Dit vers onderstreept de vergankelijkheid van materiële rijkdom en waarschuwt tegen vertrouwen op bezittingen in plaats van op God. Het toont aan dat wat mensen als permanent en veilig beschouwen, in werkelijkheid fragiel en tijdelijk is. Gods oordeel kan plotseling komen, waarbij aardse zekerheid verdwijnt.