Inleiding tot Job 21
Job hoofdstuk 21 vormt een keerpunt in de dialoog tussen Job en zijn drie vrienden. Na de heftige beschuldigingen van Sofar in hoofdstuk 20, waarbij deze beweerde dat goddelozen altijd een slecht einde kennen, komt Job met een krachtige weerlegging. Dit hoofdstuk toont Jobs intellectuele moed en zijn bereidheid om de traditionele religieuze opvattingen van zijn tijd uit te dagen.
Jobs Observaties over de Voorspoed van Goddelozen
Job begint zijn betoog met een verzoek om aandachtig te luisteren (vers 2-3). Hij wijst er vervolgens op dat zijn vrienden de werkelijkheid verkeerd inschatten. In vers 7 stelt hij de cruciale vraag: "Waarom blijven de goddelozen leven, worden zij oud en nemen hun krachten toe?" Deze vraag vormt de kern van zijn argument.
Job observeert dat goddelozen vaak:
- Lang en gelukkig leven (vers 7-8)
- Hun kinderen om zich heen zien opgroeien (vers 8)
- Vrede en veiligheid in hun huizen ervaren (vers 9)
- Materiële zegen ontvangen (vers 10)
- Hun leven in vreugde doorbrengen (vers 11-12)
- In vrede sterven zonder langdurig lijden (vers 13)
De Houding van Goddelozen tegenover God
Remarkabel is Jobs beschrijving van hoe deze welvarende goddelozen denken over God. In vers 14-15 citeert hij hun woorden: "Wijk van ons! Wij begeren de kennis van uw wegen niet. Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen? En wat zou het ons baten, dat wij tot Hem bidden?"