Inleiding tot Jesaja 64
Jesaja 64 vormt het hoogtepunt van een hartverscheurend gebed dat begon in hoofdstuk 63. Het is een van de meest emotionele hoofdstukken in het boek Jesaja, waarin het volk van Israël vanuit ballingschap een wanhopige smeekbede richt tot God. Dit hoofdstuk laat ons zien hoe een gemeenschap die Gods oordeel heeft ondervonden, terugkeert tot Hem in oprechte berouw en geloof.
Het Verlangen naar Gods Ingrijpen (Jesaja 64:1-3)
Het hoofdstuk opent met een krachtige oproep: 'Och, of Gij de hemelen scheurdet en nederdaaldet!' Dit is meer dan een wens - het is een hartskreet van een volk dat Gods nabijheid mist. De beeldspraak is intens: de hemelen die scheuren, bergen die beven, vuur dat water doet koken. Deze woorden drukken uit hoe groot de nood is en hoe dringend Gods interventie nodig is.
De profeet herinnert aan Gods machtige daden uit het verleden, toen Hij 'verschrikkelijke dingen' deed die niemand verwachtte. Dit verwijst naar gebeurtenissen zoals de uittocht uit Egypte en de wonderen bij de Sinaï. Het is een appèl op Gods karakter: 'U deed dit vroeger, doe het weer!'
Gods Trouw aan Hen die Hem Zoeken (Jesaja 64:4-5a)
Vers 4 bevat een van de meest citeerde teksten uit Jesaja: 'Van oudsher heeft men niet gehoord, het oor niet vernomen, het oog niet gezien een God behalve U, die handelt ten gunste van wie op Hem wacht.' Paulus citeert deze woorden in 1 Korintiërs 2:9 om Gods onvoorstelbare plannen te beschrijven.