Inleiding tot Jesaja 39
Jesaja 39 vormt het dramatische slot van de eerste helft van het boek Jesaja. Na de wonderbaarlijke bevrijding van Jeruzalem uit de handen van de Assyriërs en Hizkia's genezing, laat dit hoofdstuk zien hoe een moment van trots verstrekkende gevolgen kan hebben. Het verhaal speelt zich af rond 703-701 v.Chr. en toont de menselijke zwakheid van zelfs de beste koningen.
De Babylonische Gezanten (verzen 1-2)
Merodach-Baladan, koning van Babylon, stuurt gezanten naar Hizkia met brieven en geschenken. Officieel was dit uit blijdschap over Hizkia's genezing, maar politiek gezien zocht Babylon bondgenoten tegen Assyrië. Deze koning van Babylon was een bekende opponent van het Assyrische rijk en probeerde regelmatig opstand te organiseren.
Hizkia's reactie is veelzeggend: hij toont de gezanten al zijn schatten - het zilver, goud, specerijen, kostbare olie en zijn gehele wapenvoorraad. De tekst benadrukt dat er niets was in zijn paleis en hele rijk dat Hizkia hun niet liet zien. Deze daad van openheid zou later dramatische gevolgen hebben.
Jesaja's Confrontatie (verzen 3-4)
De profeet Jesaja komt direct naar koning Hizkia met kritische vragen. Hij wil weten wie deze mannen waren, waar ze vandaan kwamen, en vooral wat ze in het paleis hadden gezien. Hizkia antwoordt eerlijk maar zonder besef van de ernst van zijn daden: hij vertelt dat ze uit het verre land Babylon kwamen en dat hij hun alles had getoond.