Inleiding tot Jesaja 31
Jesaja 31 vormt een krachtige waarschuwing tegen het vertrouwen op menselijke kracht en politieke allianties in plaats van op God. In dit hoofdstuk spreekt de profeet Jesaja tot het volk van Juda tijdens een kritieke periode waarin zij overwegen een alliantie aan te gaan met Egypte om zich te verdedigen tegen de Assyrische dreiging.
Waarschuwing Tegen Vertrouwen op Egypte (verzen 1-3)
"Wee hun die naar Egypte afdalen om hulp, die steunen op paarden, vertrouwen op strijdwagens omdat ze talrijk zijn, en op ruiters omdat ze zo machtig zijn, maar die niet opzien naar de Heilige van Israël en de HEERE niet zoeken!" (vers 1)
Jesaja begint met een 'wee'-uitroep, een ernstige waarschuwing. Het volk zoekt militaire steun bij Egypte, gefascineerd door hun paarden, strijdwagens en ruiters. In die tijd gold Egypte als een militaire supermacht met indrukwekkende cavalerie en wagenpark. Maar Jesaja wijst op de fundamentele fout: zij kijken naar menselijke kracht in plaats van naar Gods macht.
Vers 3 benadrukt het contrast: "Ook de Egyptenaren zijn mensen en geen god, hun paarden zijn vlees en geen geest." Dit onderscheid tussen vlees en geest, tussen menselijke beperktheid en goddelijke macht, staat centraal in Jesaja's boodschap.
Gods Bescherming van Jeruzalem (verzen 4-5)
Jesaja gebruikt twee krachtige beelden om Gods bescherming te illustreren: