De tekst van Jeremia 27:15
"Want Ik heb hen niet gezonden, zegt de HEER; zij profeteren leugens in mijn naam, opdat Ik jullie zou wegdrijven en jullie zouden omkomen – jullie en de profeten die voor jullie profeteren." (NBV)
Betekenis van kernwoorden
Het Hebreeuwse woord voor "gezonden" (שָׁלַח, shalach) betekent meer dan alleen 'versturen'. Het duidt op een officiële opdracht met goddelijke autoriteit. God benadrukt hier dat Hij deze profeten geen opdracht heeft gegeven.
Het woord "leugens" (שֶׁקֶר, sheker) verwijst niet alleen naar onwaarheden, maar naar bedrog dat destructief is. Deze valse profetieën waren niet alleen onjuist, maar schadelijk voor het volk.
Context in Jeremia 27
Jeremia 27 speelt zich af tijdens de regering van koning Zedekia van Juda (ongeveer 597-586 v.Chr.). Jeremia draagt symbolisch een juk om te tonen dat Juda zich moet onderwerpen aan Nebukadnessar van Babel. Valse profeten daarentegen verkondigen dat God spoedig bevrijding zal brengen en dat de wegvoering naar Babel snel zal eindigen.
Theologische betekenis
Dit vers toont Gods heiligheid en waarheid. Hij duldt geen misbruik van Zijn naam voor valse boodschappen. De ernst van vals profeteren blijkt uit de gevolgen: het leidt tot nog meer oordeel over zowel het volk als de valse profeten zelf.
Gods woord door Jeremia benadrukt dat Hij soeverein is over de wereldgeschiedenis, inclusief de opkomst van Babel als instrument van Zijn oordeel.