De Paradox van Gods Beloften
Handelingen 7:5 vormt een cruciaal onderdeel van Stefanus' verdediging voor het Sanhedrin. In dit vers zegt hij: 'Hij gaf hem daar geen eigendom, geen voetbreedte grond, maar hij beloofde het land aan hem en zijn nakomelingen te geven, ook al had Abraham toen nog geen kinderen.'
Geen Voetbreedte Grond
De uitdrukking 'geen voetbreedte grond' (Grieks: oude stepema podos) benadrukt de totaliteit van Abrahams situatie. Ondanks Gods roeping naar het beloofde land, ontving Abraham geen onmiddellijk, tastbaar bezit. Dit contrasteert sterk met wat men zou verwachten van een goddelijke belofte. Abraham moest als vreemdeling leven in het land dat God hem had beloofd.
De Belofte Ondanks Onmogelijkheden
Bijzonder relevant is de toevoeging 'ook al had Abraham toen nog geen kinderen' (Grieks: ouk ontos auto teknon). Deze opmerking onderstreept de schijnbare onmogelijkheid van Gods belofte. Hoe kan iemand erfgenamen hebben zonder kinderen? Deze paradox illustreert het wezen van Bijbels geloof: vertrouwen op God ondanks zichtbare tegenstrijdigheden.
Stefanus' Betoog
Stefanus gebruikt dit voorbeeld strategisch in zijn verdediging. Hij toont aan dat Gods plan vaak niet overeenstemt met menselijke verwachtingen of tijdsschema's. Abraham moest wachten, geloven en vertrouwen op beloften die hij zelf nooit volledig zou zien vervuld worden.