De context van Genesis 48:16
Genesis 48:16 vormt het hoogtepunt van Jakobs laatste zegen over zijn kleinzonen Efraïm en Manasse. Op zijn sterfbed roept Jakob een krachtige zegen af over deze jongens, waarbij hij hen adopteert als zijn eigen zonen. Dit vers luidt: "de Engel die mij uit alle kwaad heeft verlost, zegene deze jongens. Zij zullen genoemd worden met mijn naam en met de naam van mijn vaderen Abraham en Isaak, en zij zullen zich wonderbaarlijk vermeerderen op de aarde."
Betekenis van 'de Engel die mij verlost heeft'
Het Hebreeuwse woord voor 'Engel' is hier mal'ak, wat letterlijk 'boodschapper' betekent. Jakob verwijst naar Gods beschermende tegenwoordigheid door zijn hele leven heen. Deze 'Engel' wordt door vele theologen geïnterpreteerd als een theofanie - een verschijning van God zelf. Jakob denkt terug aan momenten zoals zijn worsteling bij de Jabbok (Genesis 32), waar hij face-to-face met God kwam.
Het werkwoord 'verlossen' (ga'al in het Hebreeuws) duidt op bevrijding en redding. Jakob erkent dat God hem door alle moeilijkheden heen heeft geleid - van zijn conflict met Ezau tot zijn jaren in ballingschap bij Laban.