Inleiding tot Genesis 48
Genesis 48 bevat een van de meest ontroerende en profetische momenten in het leven van Jakob. Op zijn sterfbed zegent de aartsvader zijn kleinzonen Efraïm en Manasse, de zonen van Jozef. Dit hoofdstuk laat zien hoe God Zijn plannen uitwerkt door middel van zegeningen die vaak tegen menselijke verwachtingen ingaan.
Jakob zegent Jozefs zonen
Als Jakob hoort dat Jozef met zijn twee zonen komt, verzamelt hij zijn krachten voor deze belangrijke ontmoeting. Hij herinnert Jozef aan Gods verschijning in Luz (Bethel), waar God hem de belofte gaf dat zijn nakomelingen talrijk zouden worden en het land zouden bezitten. Deze herinnering vormt de basis voor wat er gaat gebeuren.
De adoptie van Efraïm en Manasse
In vers 5 spreekt Jakob de opmerkelijke woorden: 'Efraïm en Manasse zullen van mij zijn, zoals Ruben en Simeon van mij zijn.' Hiermee adopteert hij zijn kleinzonen als zijn eigen zonen, waardoor ze erfgerechtigd worden in de stammen van Israël. Dit is geen gewone familieaangelegenheid, maar een daad met verstrekkende gevolgen voor de toekomst van het volk Israël.
Deze adoptie betekent dat Jozef eigenlijk een dubbele erfenis krijgt - zijn twee zonen worden stamhoofden, terwijl andere zonen van Jakob slechts één stam vormen. Dit vervult in zekere zin het eerstgeboorterecht dat Jozef door zijn bijzondere positie verdiende.