De zonen van Elifaz in Genesis 36:11
Genesis 36:11 luidt: 'De zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Sefo, Gatam en Kenas.' Dit vers vormt een belangrijk onderdeel van het uitgebreide geslachtsregister van Esau en zijn nakomelingen in Genesis 36.
Betekenis van de namen
Elke naam in dit vers draagt betekenis:
- Teman (תימן) betekent 'zuiden' of 'rechterhand' en werd later een beroemde stad en regio in Edom
- Omar (אומר) betekent 'spreker' of 'welsprekend'
- Sefo (צפו) betekent 'waker' of 'uitkijker'
- Gatam (געתם) betekent mogelijk 'brandend dal' of 'kleine'
- Kenas (קנז) betekent 'jager' of 'jacht'
Elifaz als stamvader
Elifaz was de oudste zoon van Esau bij Ada de Hethitische (Genesis 36:4). Als eerstgeborene kreeg hij een voorname positie in de genealogie. Zijn zonen werden later stamhoofden in het land Edom, wat de vervulling toont van Gods belofte aan Abraham dat zijn nakomelingen tot grote volkeren zouden worden.
Theologische betekenis
Dit geslachtsregister toont Gods trouw aan Zijn beloften. Hoewel Esau niet de zoon van de belofte was, zegent God ook zijn nakomelingen. Het laat zien dat Gods zorg zich uitstrekt tot alle volkeren, niet alleen tot de uitverkoren lijn via Jakob.