Wat gebeurt er in Genesis 32? Jakob keert terug naar Kanaän en hoort van zijn boden dat Ezau hem tegemoet trekt met vierhonderd man (vers 6). Hij verdeelt zijn kamp in twee legers, bidt om redding en stuurt een groot geschenk vooruit. Diezelfde nacht brengt hij zijn twee vrouwen, zijn twee dienstmaagden en zijn elf kinderen over het veer van de Jabbok en blijft alleen achter. Daar worstelt een man met hem tot de dageraad opgaat. Jakob houdt vol: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent (vers 26). Hij krijgt een nieuwe naam, Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel (vers 28), noemt de plaats Pniël omdat hij God van aangezicht tot aangezicht gezien heeft, en gaat hinkend aan zijn heup verder.
In de Statenvertaling staat de worsteling bij de Jabbok in Genesis 32:24-32; vertalingen die de Hebreeuwse telling van dit hoofdstuk aanhouden, plaatsen dezelfde geschiedenis een vers eerder, als Genesis 32:23-32. Het hoofdstuk telt in de Statenvertaling tweeëndertig verzen. De tekst zelf vindt u op de leespagina van Genesis 32, en wat de HSV onderscheidt bij de Herziene Statenvertaling. De verzoening met Ezau volgt in Genesis 33; Jakobs levensloop staat bij Jakob.
Inleiding tot Genesis 32
Genesis 32 vormt een van de meest dramatische en theologisch belangrijke hoofdstukken in het boek Genesis. Het verhaal van Jakob die worstelt met God bij de rivier de Jabbok is een keerpunt in zijn leven en in de geschiedenis van het volk Israël. Dit hoofdstuk laat zien hoe God zijn beloften houdt en hoe Hij mensen transformeert door moeilijke omstandigheden.