Inleiding tot Genesis 27
Genesis 27 vertelt een van de meest bekende verhalen uit de Bijbel: de list waarmee Jakob de zegen van zijn vader Izaäk steelt die eigenlijk bestemd was voor zijn broer Ezau. Dit hoofdstuk toont de complexe realiteit van Gods plan dat zich voltrekt door onvolmaakte mensen en hun keuzes.
De Situatie: Izaäk's Voornemen (vers 1-4)
Het hoofdstuk begint met de bejaarde Izaäk, wiens ogen zo verzwakt zijn dat hij niet meer kan zien. Wetende dat zijn tijd nadert, roept hij zijn oudste zoon Ezau en vraagt hem op jacht te gaan om wild te vangen en een maaltijd te bereiden. Daarna wil Izaäk hem zegenen 'eer ik sterve' (vers 4).
De zegen van de vader was in die tijd van cruciaal belang - het was een formele overdracht van leiderschap, erfenis en spirituele autoriteit. Als eerstgeborene had Ezau recht op deze bijzondere zegen.
Rebekka's Plan (vers 5-17)
Rebekka, die het gesprek heeft afgeluisterd, bedenkt onmiddellijk een list. Zij herinnert zich Gods woord: 'de meerdere zal den mindere dienen' (Genesis 25:23) en neemt het heft in eigen handen.
Haar plan is gedetailleerd:
- Jakob moet twee jonge geitenbokken slachten
- Zij zal een maaltijd bereiden zoals Izaäk die lekker vindt
- Jakob moet Ezau's beste kleren aantrekken
- De gladde huid van Jakob wordt bedekt met geitenvacht om op Ezau's behaarde armen te lijken
Wanneer Jakob bezwaren uit - 'Misschien zal mij mijn vader betasten, en ik zal in zijn ogen zijn als een bedrieger' (vers 12) - neemt Rebekka alle verantwoordelijkheid op zich: 'Uw vloek zij op mij, mijn zoon!' (vers 13)