Genesis 10:6 in context
Genesis 10:6 luidt: "De zonen van Cham waren: Kush, Mizraim, Put en Kanaän." Dit vers staat midden in de zogenaamde 'volkerentafel' (Hebreeuws: toledot), een van de meest fascinerende genealogieën van de Bijbel.
De vier zonen van Cham verklaard
Kush verwijst naar het gebied dat we vandaag kennen als Ethiopië en Soedan. In de Bijbel wordt Kush vaak genoemd als een machtig rijk ten zuiden van Egypte. De naam betekent mogelijk 'zwart' of 'gebrand', wat duidt op de donkere huidskleur van de bewoners.
Mizraim (מִצְרַיִם) is de Hebreeuwse naam voor Egypte. Interessant is dat dit woord in het Hebreeuws een dubbelvorm is, wat mogelijk verwijst naar Opper- en Neder-Egypte. Egypte speelt een cruciale rol in het verhaal van Gods volk.
Put wordt geïdentificeerd met Noord-Afrikaanse gebieden, waarschijnlijk Libië. Deze naam komt minder vaak voor in de Bijbel, maar duidt op de westelijke uitbreiding van Chams nakomelingen langs de Noord-Afrikaanse kust.
Kanaän (כְּנַעַן) is misschien wel de bekendste van de vier. Dit verwijst naar het Beloofde Land dat God later aan Abraham en zijn nakomelingen zou geven. De Kanaänieten worden door de hele Bijbel heen genoemd als de bewoners van het land dat Israël zou innemen.