De tekst van Ezra 3:6
Ezra 3:6 luidt: "Van de eerste dag der zevende maand af begonnen zij brandoffers aan de HEERE te offeren, ofschoon de grondslag van de tempel des HEEREN nog niet gelegd was." Dit vers markeert een cruciaal moment in de Israëlitische geschiedenis na de terugkeer uit de Babylonische ballingschap.
Historische achtergrond
Het vers speelt zich af rond 537 v.Chr., toen de eerste groep Joden onder leiding van Zerubbabel en Jozua de hogepriester uit Babylon terugkeerde. Koning Cyrus van Perzië had een edict uitgevaardigd waarmee de Joden toestemming kregen om terug te keren naar Jeruzalem en de tempel te herbouwen (Ezra 1:1-4).
De betekenis van 'de zevende maand'
De zevende maand verwijst naar Tisri in de Joodse kalender (september/oktober). De eerste dag van deze maand was bijzonder heilig - het was Rosh Hashanah, het Joodse Nieuwjaar en de Dag van Bazuingeschal (Leviticus 23:24). Het was een gepaste tijd om de eredienst te hervatten.
Geestelijke prioriteiten
Wat opvalt in dit vers is de volgorde van prioriteiten. Hoewel de tempelgrondslag nog niet eens gelegd was, begonnen de Israëlieten al met het brengen van brandoffers. Dit toont hun verlangen om hun relatie met God te herstellen voordat ze zich richtten op de fysieke wederopbouw. Hun geestelijke honger had voorrang boven materiële zorgen.