Inleiding tot Ezechiel 31
Ezechiel 31 bevat een krachtige profetie tegen Egypte, waarin God door de profeet Ezechiel een indrukwekkend beeld gebruikt van een prachtige ceder die valt door hoogmoed. Dit hoofdstuk maakt deel uit van een serie oordelen over verschillende naties (hoofdstukken 25-32) en toont Gods soevereiniteit over alle volken.
De Prachtige Ceder (vers 1-9)
God vraagt Ezechiel om tot de farao van Egypte te spreken en vraagt: "Met wie kunt u zich vergelijken in uw grootheid?" (vers 2). Het antwoord komt in de vorm van een uitgebreide metafoor van een prachtige ceder in Libanon - waarschijnlijk verwijzend naar het Assyrische rijk.
Deze ceder wordt beschreven als:
- Hoog en machtig met een prachtige kroon (vers 3)
- Gevoed door overvloedig water (vers 4)
- Hoger dan alle andere bomen (vers 5)
- Beschutting biedend aan vogels en dieren (vers 6)
- Mooi en indrukwekkend (vers 7-8)
- Benijd door alle andere bomen in de hof van God (vers 9)
Het Oordeel over Hoogmoed (vers 10-14)
De wending komt in vers 10: "Omdat hij hoog was geworden en zijn top verheven had boven het dichte loof." De grootheid van de ceder leidde tot trots en zelfverheffing. God's reactie is duidelijk - Hij geeft de ceder over aan "de machtigste onder de volken" die hem zal vellen.