Inleiding tot Ezechiel 23
Ezechiel 23 bevat een van de meest indringende allegorie in de Bijbel. De profeet Ezechiel gebruikt het beeld van twee zusters, Ohola en Oholiba, om de geestelijke ontrouw van respectievelijk Noord-Israël (Samaria) en Juda (Jeruzalem) te beschrijven. Dit hoofdstuk spreekt op krachtige wijze over Gods heiligheid en Zijn recht op exclusieve aanbidding.
De Twee Zusters: Ohola en Oholiba (vers 1-4)
De namen Ohola en Oholiba zijn symbolisch. Ohola betekent 'haar eigen tent' en verwijst naar Samaria, dat zijn eigen heiligdom oprichtte in plaats van God te aanbidden in Jeruzalem. Oholiba betekent 'mijn tent is in haar' en verwijst naar Jeruzalem, waar Gods tempel stond.
Deze zusters worden beschreven als dochters van één moeder, wat de gemeenschappelijke oorsprong van de twee rijken benadrukt. Beiden werden Gods volk, maar beiden werden ontrouw.
Ohola's Ontrouw: Het Noordelijke Koninkrijk (vers 5-10)
Over Ohola (Samaria) zegt vers 5: 'Ohola nu hoereerde, zijnde onder Mij'. Dit verwijst naar de afgoderij en politieke bondgenootschappen die het noordelijke koninkrijk aanging. De verwijzing naar 'Assyriërs' toont hoe Israël zijn toevlucht zocht bij wereldse machten in plaats van bij God.
De beschrijving van de militaire pracht van Assyriërs (gouverneurs, bevelhebbers, jongemannen op paarden) illustreert hoe aantrekkelijk deze wereldse macht leek. Maar deze 'liefde' leidde uiteindelijk tot vernietiging toen Assyriërs in 722 v.Chr. het noordelijke koninkrijk veroverden.