Inleiding tot Ezechiël 14
Ezechiël hoofdstuk 14 bevat een krachtige boodschap over Gods heiligheid en gerechtigheid. In dit hoofdstuk confronteert God de Israëlieten met hun afgoderij en toont Hij de grenzen van voorbede tijdens Zijn oordeel. Het hoofdstuk valt uiteen in twee hoofdgedeelten die beide de ernst van Gods oordeel benadrukken.
Ouderlingen met Afgoden in hun Hart (verzen 1-11)
Het hoofdstuk begint wanneer enkele ouderlingen van Israël bij profeet Ezechiël komen zitten. Op het eerste gezicht lijkt dit een normale consultatie, maar God openbaart de werkelijke toestand van hun hart. Deze religieuze leiders hadden "afgoden in hun hart opgericht" en "de steen des aanstoots tot hun ongerechtigheid voor hun aangezicht gesteld".
Deze beeldspraak is krachtig: de afgoden bevonden zich niet alleen in tempels of huizen, maar waren diep geworteld in hun hart. God weigert door zulke mensen geraadpleegd te worden. Dit toont aan dat uiterlijke religiositeit waardeloos is wanneer het hart niet zuiver is voor God.
God waarschuwt ook tegen valse profeten die "uit hun eigen hart profeteren" (vers 9). Deze profeten werden door God toegelaten als onderdeel van Zijn oordeel over het volk dat zich had afgekeerd van de waarheid.