De betekenis van Deuteronomium 32:16
Deuteronomium 32:16 luidt: "Ze maakten hem jaloers met vreemde goden, met walgelijke dingen maakten ze hem boos." Dit vers is onderdeel van het beroemde 'Lied van Mozes' en beschrijft Israëls afgoderij en Gods reactie daarop.
Hebreeuwse woorden en hun betekenis
Het Hebreeuwse woord יַקְנִאֻהוּ (yaqni'uhu) betekent "zij maakten hem jaloers" en komt van het werkwoord קנא (qana). Dit woord drukt niet menselijke jaloezie uit, maar Gods rechtvaardige ijver voor zijn verbond met Israël. God is 'jaloers' omdat Hij een exclusieve relatie met zijn volk heeft.
Het woord בְּזָרִים (bezarim) betekent "vreemde goden" - letterlijk "vreemdelingen". Deze term benadrukt dat afgoden buitenstaanders zijn die geen plaats hebben in Israëls leven.
בְּתוֹעֵבוֹת (beto'evot) wordt vertaald als "gruwelen" of "walgelijke dingen". Dit sterke woord toont hoe God afgoderij beschouwt: als iets weerzinwekkends dat zijn heiligheid belast.
Context in het Lied van Mozes
Dit vers staat in een profetische passage waarin Mozes voorspelt wat er zal gebeuren na zijn dood. Hij waarschuwt dat Israël zal afwijken van God en vreemde goden zal dienen. Vers 16 beschrijft specifiek hoe deze afgoderij Gods toorn opwekt.