De tekst van Deuteronomium 29:21
'Dan zal de HEERE hem uitzonderen uit alle stammen van Israël tot het onheil, overeenkomstig al de vloeken van het verbond dat in dit wetboek geschreven is.'
Context binnen Deuteronomium 29
Deuteronomium 29:21 staat in het hart van Mozes' waarschuwing aan Israël over de gevolgen van verbondbreuk. In de voorafgaande verzen (19-20) waarschuwt Mozes voor degenen die denken dat ze ongestraft kunnen zondigen. Deze mensen zeggen in hun hart: 'Vrede zal ik hebben, hoewel ik wandel in de verharding van mijn hart.'
Betekenis van kernwoorden
Het Hebreeuwse werkwoord badal (בדל) betekent 'uitzonderen' of 'scheiden'. Dit woord wordt in de Bijbel gebruikt voor het scheiden van het heilige van het gewone. Hier wordt het gebruikt voor Gods oordeel waarbij Hij iemand apart zet voor straf.
'Tot het onheil' (לְרָעָה) benadrukt dat deze scheiding niet neutraal is, maar gericht is op kwaad en ongeluk als gevolg van zonde.
Theologische betekenis
Dit vers toont Gods heiligheid en rechtvaardigheid. God duldt geen bewuste rebellie tegen Zijn verbond. Wie meent dat hij ongestraft kan zondigen, wordt door God apart gezet voor bijzondere straf. Dit onderstreept dat Gods genade geen vrijbrief is voor zonde.
De verwijzing naar 'alle stammen van Israël' benadrukt dat niemand ontsnapt aan Gods oordeel - niet door afkomst, positie of stammenverwantschap.