De tekst van Deuteronomium 26:14
Deuteronomium 26:14 luidt: 'Ik heb daarvan niet gegeten in mijn rouw, en heb er niets van weggenomen, toen ik onrein was, en heb er niets van gegeven voor een dode; ik heb geluisterd naar de stem van de HEERE, mijn God, ik heb gedaan naar alles wat Gij mij geboden hebt.'
Context van de tiendeverklaring
Dit vers vormt het hart van de plechtige verklaring die Israëlieten moesten afleggen bij het brengen van hun tienden in het derde jaar (Deuteronomium 26:12-15). Deze 'vidui ma'aser' (bekentenis van de tienden) was een liturgische handeling waarbij de gever verklaarde dat hij de tienden correct had behandeld volgens Gods voorschriften.
Drie verboden handelingen
Het vers noemt drie specifieke dingen die de gever NIET heeft gedaan:
1. Niet gegeten tijdens rouw
Het Hebreeuwse woord 'oni' (רואת) verwijst naar rouwperiodes. Tijdens rouw was men ritueel onrein en mocht men geen heilige spijzen nuttigen. De tienden waren heilig aan God en daarom verboden tijdens dergelijke periodes.
2. Niets weggenomen tijdens onreinheid
Rituele onreinheid (Hebreeuws: 'tamé') maakte contact met heilige zaken onmogelijk. Dit benadrukt het onderscheid tussen heilig en profaan dat centraal staat in de Israëlitische religie.
3. Niets gegeven voor doden
Dit verbiedt het gebruik van tienden voor doodsrituelen of offers aan overleden voorouders - praktijken die gangbaar waren in omringende culturen maar door God verboden werden.