De tekst van Deuteronomium 26:13
Deuteronomium 26:13 luidt: "Dan zult gij voor het aangezicht des HEREN, uws Gods, zeggen: Ik heb het heilige uit mijn huis weggenomen en het ook aan den Leviet, den vreemdeling, den wees en de weduwe gegeven, geheel overeenkomstig uw gebod, dat Gij mij gegeven hebt; ik heb geen van uw geboden overtreden noch vergeten."
Betekenis van belangrijke woorden
Het heilige (Hebreeuws: haqodesh) verwijst naar het heilige deel van de oogst, specifiek de tiende die aan God toebehoorde. Dit was niet zomaar een gewone gift, maar een geheiligde portie die God had geclaimd.
Weggenomen uit mijn huis betekent dat de Israëliet zijn religieuze verplichting had vervuld door de tiende daadwerkelijk weg te geven in plaats van deze voor eigen gebruik te houden.
De vier groepen (Leviet, vreemdeling, wees en weduwe) vertegenwoordigen de meest kwetsbare mensen in de samenleving. Levieten hadden geen eigen land, vreemdelingen waren immigranten zonder sociale zekerheid, en wezen en weduwen hadden geen familieondersteuning.
Context in Deuteronomium 26
Dit vers is onderdeel van de rituele bekentenis die elke drie jaar werd afgelegd bij het brengen van de "armen-tiende" (Deuteronomium 26:12-15). Terwijl de regelmatige tiende naar het heiligdom ging, was deze speciale tiende bestemd voor sociale zorg. Na het uitdelen ervan moest de gever een plechtige verklaring afleggen voor God.