God's Oordeel over David's Zonde
2 Samuel 12:11 bevat een van de zwaarste oordelen die God ooit uitsprak over koning David. Na David's zonde met Bathseba en de moord op haar echtgenoot Uriah, confronteert de profeet Nathan David met Gods oordeel: "Zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal uit uw eigen huis kwaad tegen u doen ontstaan, en Ik zal uw vrouwen voor uw ogen weggenomen en aan uw naaste gegeven, zodat hij bij uw vrouwen zal liggen voor de ogen van deze zon."
De Betekenis van de Woorden
Het Hebreeuwse woord voor "kwaad" (רָעָה, ra'ah) duidt hier op onheil, tegenspoed en verdriet. God kondigt aan dat dit kwaad zal "ontstaan" (קוּם, qum) uit David's eigen huis - letterlijk "oprizen" of "opstaan". Het woord "naaste" (רֵעַ, rea') kan verwijzen naar een vriend, buurman, of in dit geval familielid.
De Context van het Oordeel
Dit oordeel komt direct na Nathan's beroemde gelijkenis over het schaapje en David's belydenis "Ik heb gezondigd tegen de HEERE." Hoewel God David vergeeft en hij niet zal sterven (vers 13), blijven er wel gevolgen bestaan voor zijn zonde. Het oordeel is specifiek en weerspiegelt de aard van David's eigen zonde - waar hij in het geheim zonde deed, zal zijn schande publiek worden.