De verwoesting van het altaar in Bethel
2 Koningen 23:15 beschrijft een cruciaal moment in koning Josia's religieuze hervorming: "Ook het altaar in Bethel, op de offerhoogte die Jerobeam, zoon van Nebat, had laten maken – hij die Israël tot zonde had verleid – ook dat altaar en die offerhoogte brak hij af. Hij verbrandde de offerhoogte en vergruizelde de stenen tot stof, en hij verbrandde de Asjerapaal."
Historische achtergrond van Bethel
Bethel was een van de twee belangrijkste cultusplaatsen die koning Jerobeam I had opgericht toen het noordelijke koninkrijk Israël zich afscheidde van Juda (1 Koningen 12:28-29). Hij plaatste daar een gouden kalf om te voorkomen dat zijn volk naar Jeruzalem zou gaan voor de tempeldienst. Deze daad wordt in de Bijbel consequent aangeduid als "de zonde van Jerobeam" die vele koningen van Israël hebben voortgezet.
Josia's radicale aanpak
Het Hebreeuwse werkwoord voor "afbreken" (natas) wijst op een volledige vernietiging. Josia ging methodisch te werk: hij brak het altaar af, verbrandde de offerhoogte, vergruizelde de stenen tot stof (Hebreeuws: 'afar') en verbrandde de Asjerapaal. Deze grondige aanpak toont zijn vastberadenheid om elke vorm van afgoderij uit te roeien.