De tekst van 2 Koningen 21:4
2 Koningen 21:4 beschrijft een van de meest schokkende daden van koning Manasse: 'Hij bouwde altaren in de tempel van de HEER, hoewel de HEER had gezegd: In Jeruzalem zal mijn naam wonen.'
Betekenis van de kernwoorden
Het Hebreeuwse woord voor 'altaren' (מִזְבְּחוֹת - mizbechot) verwijst hier naar heidense offerplaatsen, waarschijnlijk gewijd aan Baäl en andere Kanaänitische goden. Het woord 'tempel' (בֵּית - beit) betekent letterlijk 'huis' en benadrukt dat dit Gods eigen woonplaats was.
De uitdrukking 'mijn naam zal wonen' (שְׁמִי - shemi) is een belangrijke theologische term die Gods bijzondere tegenwoordigheid aanduidt. Gods 'naam' staat voor Zijn karakter, autoriteit en heiligheid.
De ernst van Manasse's daad
Deze vers onthult de diepte van Manasse's afvalligheid. Hij bouwde niet alleen heidense altaren, maar plaatste deze in het heiligste deel van Israëls religieuze leven - de tempel van Jeruzalem. Dit was een directe schending van het eerste en tweede gebod.
De tempel was de plaats waar God Zich op unieke wijze had geopenbaard aan Zijn volk. Door heidense altaren in de tempel te bouwen, maakte Manasse van Gods huis een plaats van afgoderij.