De context van koning Zacharia
2 Koningen 15:9 beschrijft koning Zacharia van Israël met de woorden: 'Hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEER, net zoals zijn voorouders hadden gedaan. Hij week niet af van de zonden waarmee Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël tot zonde had verleid.' Dit vers gebruikt een standaardformule die regelmatig voorkomt bij de beschrijving van Israëls koningen.
De betekenis van 'kwaad doen in Gods ogen'
De uitdrukking 'kwaad doen in de ogen van de HEER' (Hebreeuws: רַע בְּעֵינֵי יְהוָה) verwijst niet alleen naar morele overtredingen, maar specifiek naar afgoderij en het verlaten van de ware eredienst. Voor de koningen van Israël betekende dit voornamelijk het voortzetten van het afgodendienstsysteem dat Jerobeam I had ingesteld.
De zonden van Jerobeam I
Het vers verwijst naar 'de zonden waarmee Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël tot zonde had verleid.' Jerobeam I had na de rijkssplitsing gouden kalveren opgericht in Dan en Betel om te voorkomen dat zijn volk naar Jeruzalem zou gaan voor de eredienst. Deze daad wordt in de Bijbel gezien als de grondslag van Israëls geestelijke verval.