De tekst van 1 Samuel 31:2
1 Samuel 31:2 luidt: 'De Filistijnen zetten de achtervolging in op Saul en zijn zonen. Ze doodden zijn zonen Jonathan, Abinadab en Malchisua.' Dit vers beschrijft een van de meest tragische momenten in de geschiedenis van Israël: de dood van koning Sauls zonen tijdens de fatale slag op de berg Gilboa.
Woordbetekenis en tekstanalyse
Het Hebreeuwse werkwoord voor 'doodden' is נכה (nakah), wat letterlijk 'slaan', 'treffen' of 'neervellen' betekent. Dit woord geeft de gewelddadige aard van hun dood weer in de hitte van de strijd. De drie genoemde zonen hebben betekenisvolle namen: Jonathan (יהונתן) betekent 'JHWH heeft gegeven', Abinadab (אבינדב) betekent 'mijn vader is nobel', en Malchisua (מלכישוע) betekent 'koning van redding' - ironisch gezien hun lot.
Context binnen 1 Samuel 31
Dit vers vormt het hart van het verhaal van Sauls ondergang. Het hele hoofdstuk 31 beschrijft de climax van Sauls koningschap en tegelijk het begin van een nieuwe era onder David. De Filistijnen, Israëls grootste vijanden, behalen hier een vernietigende overwinning die het koninkrijk bijna ten val brengt.