De tekst van 1 Samuel 30:29
1 Samuel 30:29 luidt: "en aan hen die in Rachal woonden, aan hen die in de steden van de Jerameëlieten en Kenieten woonden." Dit vers maakt deel uit van een lijst waarin David de buit verdeelt die hij van de Amalekieten had weggenomen.
Context van het hoofdstuk
In 1 Samuel 30 lezen we hoe de Amalekieten Siklag, Davids uitvalsbasis, hadden overvallen en geplunderd. Ze hadden alle vrouwen en kinderen meegenomen, waaronder Davids eigen vrouwen Achinoam en Abigaïl. David achtervolgde hen met 600 man en behaalde een grote overwinning. Hij redde niet alleen alle gevangenen, maar veroverde ook veel buit.
De betekenis van de genoemde plaatsen
Vers 29 noemt drie specifieke groepen ontvangers:
Rachal was waarschijnlijk een stad in het zuiden van Juda. Sommige geleerden verbinden deze plaats met het huidige Khirbet el-Milh.
De Jerameëlieten (Hebreeuws: היַרְחְמְאֵלִי) waren een clan binnen de stam Juda, afstammelingen van Jerachmeël (1 Kronieken 2:9). Ze woonden in het zuidelijke deel van Juda.
De Kenieten (Hebreeuws: הַקֵּינִי) waren een nomadisch volk dat historisch vriendschappelijke banden had met Israël. Mozes' schoonvader Jetro was een Keniet, en dit volk had Israël geholpen tijdens de woestijnreis.