1 Samuel 30 telt eenendertig verzen en beschrijft wat David en zijn mannen aantroffen toen zij na drie dagen in Ziklag terugkwamen: de stad was door de Amalekieten verbrand en alle vrouwen en kinderen waren weggevoerd (vers 1 tot 3). Het scharnierpunt staat in vers 6: 'En David werd zeer bang, want het volk sprak van hem te stenigen ... doch David sterkte zich in den HEERE, zijn God.'
David sterkte zich in den HEERE, zijn God (vers 6)
Deze regel uit de Statenvertaling is de bekendste zin van het hoofdstuk, en hij staat op de moeilijkst denkbare plaats. David is alles kwijt: zijn stad, zijn beide vrouwen Ahinoam en Abigail (vers 5), en het vertrouwen van zijn eigen mannen, die overwegen hem te stenigen. Er is niemand om zich toe te wenden en geen omstandigheid die hoop geeft.
'Sterkte zich' is een werkwoord dat hij op zichzelf toepast: hij maakte zichzelf sterk, en wel in de HEERE. Dat is dus geen gevoel dat hem overkwam, maar iets wat hij deed. Wat hij deed staat er direct achter: hij liet de priester Abjathar de efod brengen en vroeg de HEERE of hij de bende moest achtervolgen (vers 7 en 8). Zich sterken in God is hier heel concreet: eerst vragen, dan handelen, in plaats van handelen omdat er iets moet gebeuren. De volledige hoofdstuktekst in de Statenvertaling staat op 1 Samuel 30.
Inleiding tot 1 Samuel 30
1 Samuel hoofdstuk 30 beschrijft een cruciale episode in David's leven, vlak voordat hij koning over Israël wordt. Dit hoofdstuk toont hoe David in een van zijn donkerste momenten zijn vertrouwen op God behoudt en daardoor een geweldige overwinning behaalt. Het verhaal van de verwoesting van Ziklag en David's reactie daarop onthult belangrijke aspecten van Bijbels leiderschap en God's trouw.