De tekst van 1 Samuel 22:13
In 1 Samuel 22:13 spreekt koning Saul woedend tot de hogepriester Achimelek: 'Waarom hebben jullie samen tegen mij gespannen, jij en de zoon van Isaï, doordat jij hem brood en een zwaard hebt gegeven en God voor hem hebt bevraagd, zodat hij zich tegen mij zou kunnen keren om mij op te leren, zoals vandaag het geval is?'
Sauls valse beschuldiging
Saul beschuldigt Achimelek van samenzwering met David (die hij minachtend 'de zoon van Isaï' noemt). Het Hebreeuwse woord voor 'samenspannen' (qashar) betekent letterlijk 'binden' of 'een verbond sluiten'. Saul suggereert dat er sprake was van een bewuste rebellie tegen zijn koningschap.
De ironie is dat Achimelek volkomen onschuldig was. Toen David naar Nob kwam (1 Samuel 21), vertelde hij niet dat hij op de vlucht was voor Saul. Achimelek handelde te goeder trouw toen hij David brood en Goliats zwaard gaf.
De context van jaloezie en paranoia
Dit vers toont hoe ver Sauls geestelijke verval is gevorderd. Zijn jaloezie op David heeft hem zo vertroebeld dat hij overal verraad ziet. De uitdrukking 'om mij op te leren' (Hebrew: 'arab) betekent 'in een hinderlaag lokken' of 'belagen'. Saul ziet zichzelf als slachtoffer van een complot.
Doëg de Edomiet, die als enige getuige optrad, had de ontmoeting tussen David en Achimelek gezien en rapporteerde dit aan Saul. Dit leidde tot een van de donkerste momenten in Israëls geschiedenis.