De Tekst van 1 Samuel 15:6
1 Samuel 15:6 luidt: "En Saul zeide tot de Kenieten: Gaat weg, wijkt af van de Amalekieten, opdat ik u niet met hen verdoe; want gij hebt barmhartigheid bewezen aan alle kinderen Israëls, toen zij uit Egypte optrokken. Toen weken de Kenieten af van de Amalekieten."
Historische Achtergrond van de Kenieten
De Kenieten waren een nomadisch volk dat nauw verwant was aan Jethro (ook wel Reuel genoemd), de schoonvader van Mozes. Het Hebreeuwse woord "Qeni" betekent letterlijk "smid" of "metaalbewerker", wat hun beroep aanduidt. Zij woonden als semi-nomaden in de woestijngebieden en hadden zich later tussen de Amalekieten gevestigd.
De vriendelijkheid die de Kenieten aan Israël bewezen, verwijst naar de hulp die Jethro's familie bood tijdens de uittocht uit Egypte. Mozes had zijn schoonvader gevraagd om als gids te dienen in de woestijn (Numeri 10:29-32), vanwege hun kennis van het terrein.
Gods Gerechtigheid en Barmhartigheid
Dit vers toont een prachtig voorbeeld van Gods karakter waarin gerechtigheid en barmhartigheid samenkomen. Terwijl God de Amalekieten wilde straffen voor hun zonden tegen Israël (zie Exodus 17:8-16), vergat Hij niet de goede daden van de Kenieten. Het Hebreeuwse woord voor barmhartigheid hier is "chesed", dat trouwe liefde en vriendelijkheid betekent.
Sauls waarschuwing aan de Kenieten demonstreert dat God onderscheid maakt tussen mensen en volkeren op basis van hun daden en houding tegenover Zijn volk.